Ferd Grapperhaus, die tussen 2017 en 2022 minister van Justitie en Veiligheid was in kabinet-Rutte III, verscheen voor de tweede keer voor de parlementaire enquêtecommissie corona. Tijdens dit verhoor stelde hij dat hij zichzelf zag als het juridisch geweten van het kabinet tijdens de crisis. Volgens Grapperhaus was het zijn taak om te bewaken dat coronamaatregelen juridisch goed onderbouwd waren en dat de rechtsstaat niet onder druk kwam te staan.
Grapperhaus vertelde dat hij al in maart 2020 pleitte voor een speciale coronanoodwet. In de eerste weken van de pandemie werden maatregelen ingevoerd via noodverordeningen, zonder specifieke wetgeving. De oud-minister vond dat er snel een wettelijke basis moest komen om de maatregelen beter te borgen. Hij erkende ook dat hij in 2021 onterecht ingreep bij discotheek Aspen Valley in Enschede, terwijl hij dat juridisch gezien niet had mogen doen.
In maart 2020 stond Nederland aan het begin van de coronacrisis. Het kabinet voerde snel maatregelen in zoals de sluiting van scholen, horeca en andere bedrijven. Deze maatregelen werden aanvankelijk genomen via noodverordeningen op basis van de Wet publieke gezondheid. Grapperhaus vond echter dat er een tijdelijke wet moest komen om de maatregelen beter juridisch te onderbouwen.
Volgens Grapperhaus waren zijn collega’s in eerste instantie niet enthousiast over zijn voorstel. De focus lag op het bestrijden van het virus en het tekort aan ic-bedden. Vanaf april 2020 kon hij samen met minister van Binnenlandse Zaken Kajsa Ollongren werken aan de wet. De Tijdelijke wet maatregelen covid-19 werd in mei 2020 aangekondigd en trad in december 2020 in werking. Grapperhaus zag dit als een belangrijke overwinning voor de rechtsstaat.
Naast zijn uitspraken over zijn rol als juridisch geweten kwamen tijdens het verhoor ook beledigende appjes naar buiten die Grapperhaus tijdens de coronacrisis had gestuurd. De parlementaire enquêtecommissie deelde fragmenten van deze berichten, die Grapperhaus aan collega-bestuurders had gestuurd.
Zo noemde hij onderwijsminister Arie Slob een “soepjurkje” en “jankerd”. Over burgemeester Hubert Bruls, voorzitter van het Veiligheidsberaad, appte Grapperhaus dat deze “de ziekte kon krijgen”. Over de Eerste Kamer schreef hij aan toenmalig minister Hugo de Jonge dat hij “diepe minachting voor deze geriatrische beunhazerij” had. Premier Mark Rutte noemde hij in een appje “autocratisch”, al zegt Grapperhaus zich dat niet meer te herinneren.
Grapperhaus verklaarde dat de appjes voor hem een “uitlaatklep” waren en dat ze “binnenskamers” werden gestuurd. De enquêtecommissie stelde echter vragen bij zijn ontvankelijkheid voor tegenspraak en hoe dit paste bij zijn zelfbeeld als juridisch geweten van het kabinet.
De verhoudingen tussen Grapperhaus en burgemeesters waren tijdens de coronacrisis soms gespannen. De oud-minister uitte ergernis over burgemeesters in het Veiligheidsberaad, die volgens hem “ministerraadje wilden spelen” door besluiten van het kabinet opnieuw te bediscussiëren. Hij noemde onder meer de coronatoegangsbewijzen als voorbeeld waarover burgemeesters kritiek hadden, terwijl er al een motie over was aangenomen en Europese regelgeving bestond.
Grapperhaus erkende dat hij meerdere keren burgemeesters had aangesproken op handhaving, waaronder Femke Halsema van Amsterdam en Onno van Veldhuizen van Enschede. Het telefoontje naar Enschede over discotheek Aspen Valley noemde hij achteraf “pijnlijk” en “onverstandig”. Hij gaf toe dat de grondslag van zijn ingreep niet klopte en dat hij zich op het terrein van de burgemeester had begeven.
Staatsrechtelijk gezien is de rol van minister van Justitie in crisistijd belangrijk voor het bewaken van de rechtsstaat. Normaal gesproken wordt de juridische toetsing van wetgeving gedaan door de Raad van State en het ministerie van Justitie. Tijdens de coronacrisis was er echter veel discussie over wie de “hoeder van de grondrechten” was: Grapperhaus of Kajsa Ollongren als minister van Binnenlandse Zaken.
Juristen wijzen erop dat het opvallend is dat een minister zichzelf zo benoemt. Het zelfbeeld als juridisch geweten van het kabinet roept vragen op over de verhoudingen binnen het kabinet en de balans tussen daadkracht en rechtsstatelijkheid. Sommige experts stellen dat Grapperhaus’ pleidooi voor een noodwet terecht was, maar dat zijn optreden in Enschede juist laat zien dat ook hij de grenzen van zijn bevoegdheden overschreed.
De uitspraken van Grapperhaus en de gepubliceerde appjes geven een inkijkje in de interne dynamiek van kabinet-Rutte III tijdens de coronacrisis. Ze roepen bredere vragen op over bestuurlijke cultuur, vertrouwen en samenwerking tussen kabinet, burgemeesters en Kamer.
De affaire past in eerdere kritiek op het coronabeleid, zoals het Catshuisoverleg, de beperkte controle door de Tweede Kamer en de spanningen met burgemeesters. Voor veel burgers versterken deze verhalen het beeld dat er achter gesloten deuren anders werd gesproken dan in het openbaar. De parlementaire enquête corona moet uitwijzen wat er precies misging en wat er geleerd kan worden voor toekomstige crises.
Het verhoor van Grapperhaus laat zien hoe complex het is om in crisistijd de balans te vinden tussen daadkrachtig optreden en het waarborgen van de rechtsstaat. De uitspraak dat Grapperhaus zag zichzelf als juridisch geweten van kabinet zal naar verwachting nog vaak worden aangehaald in de discussie over de coronacrisis en de rol van het kabinet-Rutte III.
Dit artikel is gebaseerd op berichtgeving van onder meer ANP, NU.nl, NRC en De Telegraaf over het tweede coronaverhoor van Ferd Grapperhaus bij de parlementaire enquêtecommissie. De bijbehorende afbeelding is gemaakt met AI.